vrijdag 20 november 2015

Schrijver in de schijnwerpers: Peter Hein


Vertel eens iets over jezelf.

Ik denk dat het schrijverschap al vroeg in de kiem aanwezig was. In 1948 schreef ik, als negenjarige, in mijn (verkeerd gespelde) ‘Lochboek’ een verslag van een ellenlange reis naar Zwitserland, met hutkoffers en al, die in Utrecht door ‘witkielen’ voor ons in de trein gezet werden. Destijds was reizen ook nog echt reizen. Sindsdien hield ik jaarlijks reisdagboeken bij van, voor die tijd al tamelijk verre, vakantiereizen met de auto: naar Zuid-Frankrijk, Spanje, Joegoslavië, zodra het voor buitenlanders toegankelijk was (vanaf 1953), Griekenland. En later van veel verdere reizen.
In mijn studententijd (ik studeerde geneeskunde en was vervolgens als gynaecoloog, wetenschapper en Universitair hoofddocent (UHD) Verloskunde verbonden aan de Radboud Universiteit van Nijmegen) wilde ik graag verhalen schrijven. Er was alleen één probleem: ik wist niet waarover. En nu, nu ik mezelf, denk ik, wel schrijver mag noemen en het vak een beetje in de vingers krijg, is het omgekeerde het geval. In werkelijk alles zit een verhaal, de verhalen liggen op straat, je hoeft ze alleen maar op te rapen. Ik zou wel drie levens nodig hebben om alles op te schrijven wat ik nog zou willen schrijven.

Meer over mezelf: getrouwd, drie kinderen en zes kleinkinderen. Na mijn werkzame leven in Nijmegen (waarin ik veel wetenschappelijke publicaties schreef, een andere tak van sport dan het meer literaire schrijven, al liggen die twee toch soms dichter bij elkaar dan je zou vermoeden), gooiden we het roer radicaal om. We verhuisden 15 jaar geleden naar Friesland. Ik bouwde twee van mijn hobby’s uit en werd professioneel beeldhouwer (bronzen beelden) en pakte het schrijven serieus aan. Ik heb enkele exposities per jaar in galeries op verschillende plaatsen in Nederland. Nu wissel ik het boetseren af met schrijven.


Welk genre schrijf je voornamelijk en heb je daarnaast ook andere genre's?

Het belangrijkste wat ik tot dusver schreef zou je historische non-fictie kunnen noemen. Vier boeken met betrekking tot de Joodse wereld en de Tweede Wereldoorlog. Daarnaast schreef ik de (ontstaans)geschiedenis van de Liberaal Joodse Gemeente Gelderland. Al lang voor mijn pensionering schreef ik een flink aantal korte verhalen (vaak naar aanleiding van schrijfwedstrijden). Die verhalen, die in verhalenbundels terechtkwamen, hebben voor het merendeel niets met het Jodendom te maken. En tenslotte is er een verhalenbundel uitgegeven met ‘zeeverhalen’ die ik optekende tijdens een drie maanden durende reis als scheepsarts op een schip van de Holland Amerika Lijn naar Vancouver en terug (naar Rotterdam).


Wat vind je belangrijk aan juist jouw genre?

De boeken over de oorlog die ik schreef zijn autobiografisch. Ik kan uit eigen ervaring schrijven en beschik daarnaast over vele getuigenissen uit mijn naaste omgeving, zodat ik bijvoorbeeld de ervaringen van onderduikers ‘van binnenuit’ kon beschrijven.
(Ik heb zelf ondergedoken gezeten) Ik kom tot de ontdekking dat ik behoor tot de laatsten die dat nog kunnen en ik vind het belangrijk dat er nog een stem is die ‘uit de eerste hand’ kan vertellen over de dramatische oorlogsperiode. Ik probeer dat feitelijk en geserreerd te doen en zonder drama. De boeken hangen met elkaar samen en vormen een persoonlijke ‘petite histoire’, die de grote geschiedenis invoelbaar maakt, zoals ook bijvoorbeeld Annejet v/d Zijl of Geert Mak dat doen.


Wat vind je zo leuk aan het schrijversvak?

Gek genoeg: het steeds weer herschrijven en het eindeloos schaven en zien hoe een aanvankelijk nog warrig verhaal daardoor groeit en steeds beter wordt. (Hier ligt ook de overeenkomst met het schrijven van een wetenschappelijk artikel, waar ieder woord raak moet zijn en waarin geen woord teveel mag staan.)


Welke waarde hecht je aan recensies? Zowel goede als slechte.

Tot dusver heb ik gelukkig alleen maar aangename recensies ontvangen. Maar ik denk, dat als een slechte recensie met kennis van zaken geschreven is en in mijn ogen hout snijdt, ik er wel mee kan leven. Ik zal zelfs proberen er mijn voordeel mee te doen bij het schrijven van een volgend boek. (Al lijkt een slechte recensie me natuurlijk niet leuk.) Wat dit betreft werkt mijn ‘vakmatige’ verleden wat mee: ik heb ruime ervaring met wetenschappelijk publiceren. De grote wetenschappelijke tijdschriften laten de ingezonden artikelen beoordelen door twee of meer referees (beoordelaars). Die referees doen hun uiterste best om onvolkomenheden in het beschreven onderzoek aan te tonen. Dat is goed en als onderzoeker en schrijver weet je dat je het artikel vrijwel altijd terugkrijgt met daarbij allerlei vragen. Als je pech hebt vindt de referee dat je méér moet onderzoeken om tot je conclusies te komen. Of men vindt dat er statistische ‘fouten’ zijn gemaakt, of…etc. etc. Dat levert altijd weer veel extra werk op. Zoiets is weliswaar iets anders dan een slechte recensie, maar leert wel je te wapenen tegen ‘negatieve reacties’, al zijn hier geen emoties bij betrokken en bij een slechte recensie van een boek, lijkt me, wel.


Het is bekend, dat het voor veel schrijvers heel moeilijk is om een plaats op de boekenmarkt te veroveren. Ook al hebben ze nog zo'n goed boek geschreven. Hoe ervaar jij dat / heb je dat ervaren?

Ik heb het geluk gehad dat Meulenhoff Boekerij direct enthousiast was over het eerste manuscript dat ik hun stuurde en me met open armen verwelkomde. Snel nadat dit boek (De onderduikers) uitgegeven was, werd me gevraagd het manuscript van een volgend boek aan te leveren. Dat is inmiddels ook uitgegeven. (Het zesde jaar) En nu ben ik hard bezig aan een volgend boek, waar de uitgeverij al op zit te wachten.


Wat doe je / deed je om bekend te worden bij het lezerspubliek?

Dat deed vooral de professionele PR afdeling van Meulenhoff (die persberichten naar alle kranten, weekbladen, radio en TV stuurt en overal goede contacten heeft) en de afdeling Verkoop die voor een ruime distributie van de boeken over het hele land zorgt (ik was daar behoorlijk van onder de indruk). Het leverde verschillende recensies in de bladen en interviews op.
Mijn eigen aandeel is daarnaast dat ik tamelijk veel lezingen geef. Ik heb een lange tijd geblogd (maar heb daar geen tijd meer voor) en ik werk met mijn website, af en toe nieuwsbrieven (ook n.a.v. beeldenexposities), Facebook, Linkedin, Twitter. Met al mijn activiteiten op Social Media was ik al begonnen, lang voordat ik klaar was met het eerste manuscript en zelfs lang voordat ik een uitgever had. Maar op dit moment doe ik er weinig mee (te tijdrovend en m.i. valt kosten (tijd) – baten (verkoop) analyse  negatief uit (zie onder)).

Van De Onderduikers (begin 2014) was er na 7 weken een tweede druk en zijn er nu tegen de 4000 ex. verkocht. Van het volgende boek: Het zesde jaar (eind 2014) zullen nu tegen de 2000 ex. verkocht zijn. Ik denk dat mijn ‘Social Media activiteiten’ daar maar weinig aan hebben bijgedragen en dat ik er verstandiger aan doe om alle energie te stoppen in het volgende boek, dat, naar ik hoop, binnen één á twee jaar in de winkels ligt. (zie voor “zelfpromotie op Social Media ook mijn artikel in Buzzboeken, ‘Het vak’ in http://www.buzzboeken.com  , waarin mijn conclusie is dat je, als je voor de keuze staat, je beter tijd kunt besteden aan schrijven dan op internet verwijlen.)


Hoeveel boeken heb je inmiddels geschreven?

Zes boeken, (waarbij ik mijn proefschrift (1972) en wetenschappelijke boeken en artikelen hier niet meetel).


Naar welke titel gaat je persoonlijke voorkeur uit en waarom?

De Onderduikers (2014). En wel omdat het een veelomvattende geschiedenis is, waarin niet alleen de zeer turbulente onderduik van mijn ouders beschreven wordt, maar ook de Nederlandse wereld om hen heen in de oorlogsjaren, waarbij thema’s als verraad, collaboratie, verzet, maar ook de ‘accommodatie’ (met de bezetter) en ‘het grote wegkijken’ van de Nederlandse bevolking (wat betreft het lot van de Joden) aan de orde komen.


Hoeveel boeken zullen er nog van jou verschijnen, denk je?

Geen enkel idee, en ik denk ook niet in kwantiteit: een manuscript gaat pas de deur uit als ik vind dat het absoluut goed is (wil natuurlijk niet zeggen dat het ook goed IS, maar ik leg de lat hoog) en dat duurt bij mij eerder lang dan kort. Ik schreef zes boeken in ca 15 jaar, dat is gemiddeld één per 2 ½ jaar en ik begin wat ouder te worden (ben van 1939), dus verstandiger om hier maar niet te speculeren over aantallen en rustig door te werken.


Op welke website kunnen we je vinden?



Heb je zelf nog iets toe te voegen?

Allereerst wil ik Arie bedanken voor dit interview: het is een erg leuk en goed initiatief om op deze manier verschillende schrijvers aan het woord te laten.

Daarnaast wil ik graag van de gelegenheid gebruik maken om een paar dingen te zeggen die me na aan het hart liggen (en waarmee ik minder gevorderde schrijvers misschien van dienst kan zijn), op het (grote) gevaar af, arrogant gevonden te worden, maar zo is het absoluut niet bedoeld.

Het valt me op dat er in de verschillende Linkedin schrijfgroepen (en ook elders) veel geklaagd wordt dat men te weinig kansen krijgt bij uitgevers. Tegelijkertijd zie ik dan in hetzelfde stukje van diezelfde mensen foute formuleringen en kanjers van taalfouten die niet hadden mogen voorkomen. Voldoende reflectie en zelfkritiek zijn essentieel!
Zó schrijven dat alleen het beste dat je te bieden hebt goed genoeg is, is een zwaar, arbeidsintensief en soms moeizaam proces, dat, naar ik meen, te vaak onderschat wordt.
Een leuk verhaaltje is nog geen goed verhaal.
Om succes te hebben moet je het er voor over hebben om langdurig te zwoegen. En dan heb je nog geen enkele garantie dat je boek ergens wordt geaccepteerd. Dat risico moet je bereid zijn te nemen.

In feite ben je gek als je daaraan begint! Maar in mijn geval: ik kán gewoon niet anders: ‘het verhaal/boek móet eruit’.

Schrijver Peter Buwalda zei in het programma ‘Zomergasten’: ‘Bij het schrijven van Bonita Avenue was ik maanden (misschien zei hij zelfs wel: ‘jaren’) van de wereld. In die tijd lééfde ik niet.’ Dat is een heftige uitspraak!
Ik voelde herkenning: dat had ik al langer precies zo: je bent een hele tijd zo intensief bezig dat je in die periode niet echt leeft. En dat moet je er voor over hebben.

En tenslotte nog iets wat ik belangrijk vind: meelezers: kies ze zéér zorgvuldig en vooral niet onder je vrienden (‘die toch zo belezen zijn’). (Bijna) niemand durft je echt af te branden. Maar als ze dat niet doen, is al dat lezen zonde van ieders tijd. Vraag een vage kennis (een váge kennis, dus, die niet emotioneel bij jou betrokken is) of diegene iemand ánders kent, die goed als meelezer zou kunnen werken. Dan weet je zeker dat er geen enkele relatie met jou bestaat (die een echt superkritische benadering van je manuscript in de weg zou kunnen staan).
Overigens werk ik, nu ik mijn redacteur bij Meulenhoff Boekerij heb, niet meer met andere meelezer(s) dan mijn zéér kritische echtgenote, die me ongezouten haar mening geeft. Niet altijd/meestal niet leuk, maar in de meeste gevallen heeft ze m.i. gelijk.






Geen opmerkingen:

Een reactie posten